Nieuws

De Zoon van God en Israël

Ds. Henk Poot - 28 juni 2017

Laten we de relatie tussen de Zoon van God en Israël nu eens niet vanuit ons oogpunt bekijken – dat doen we bijna vanzelfsprekend, en dan weten we meteen ook hoe Israël het allemaal zou moeten doen – maar vanuit het perspectief van God.

Johannes noemt in de opening van zijn evangelie de Zoon van God het Woord: ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God’. Dit Woord was er al voor de schepping en alle dingen zijn door het Woord geschapen. Zo spreekt de Hebreeënbrief ook over de Zoon: Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en de uitdrukking van zijn wezen en God heeft door Hem de wereld geschapen (Hebreeën 1:2,3). Het valt op dat de Zoon van God bij zijn wederkomst ook het Woord van God genoemd wordt (Openbaring 19:13). God openbaart zich door Hem dus niet alleen in het begin maar ook aan het einde, in de voltooiing.

“Als Johannes schrijft dat de wet door Mozes gegeven is en de genade en de trouw door Jezus Christus is gekomen, dan is dat geen tegenstelling, maar een intensivering.”

Het spreken van God vindt een prachtige uitdrukking in de Thora en in de profeten. Daarin heeft het Woord van God gesproken. Het Woord van God is niet opgesloten in de Heilige Schrift, maar andersom wel. De wet en de profeten zijn besloten in het spreken van God. Daarom heeft de Schrift ook goddelijk gezag. Het zijn niet alleen maar mensenwoorden. In menselijke taal en menselijk woorden is het Woord van God, is de Zoon van God aanwezig. Ik zou dat willen toelichten met twee teksten uit het evangelie en de brieven van de apostelen.

Petrus schrijft dat de profeten gezocht hebben naar de betekenis van de zaligheid waar ze over spraken en op welke tijd de Geest van de Messias in hen doelde (1 Petrus 1:11). Voorafgaande aan de bergrede, zegt Jezus dat Hij niet gekomen is om de wet en de profeten te ontbinden maar om deze te vervullen (Matteüs 5:17). We begrijpen nu hoe onlogisch dat zou zijn, als de Zoon is Hij immers zelf het Woord van God. Ik denk dat het belangrijk is om te beseffen dat deze aanwezigheid van de Zoon in de Thora en de profeten nooit veranderd is. ‘Hij spreekt nog altijd voort’, zingt een lied.

Als Johannes schrijft dat het Woord vlees geworden is, betekent dat ook niet dat het Woord uit de Heilige Schrift is weggetrokken en dat de kracht van de wet en de profeten is verdwenen. Het is een nog dichter bij komen van Gods openbaring. Johannes spreekt er enthousiast over hoe zij het Woord nu gezien hebben en getast, aangeraakt hebben. Het Woord van God heeft zijn tent onder ons opgeslagen, zegt hij letterlijk en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd. We hebben genade op genade van Hem ontvangen.

Als Johannes even verderop schrijft dat de wet door Mozes gegeven is en de genade en de trouw door Jezus Christus is gekomen – het woord waarheid moet je zo vertalen – dan is dat geen tegenstelling, maar een intensivering. In de Thora toont God immers ook zijn liefde en genade (Exodus 34:6), maar dit gaat een stap verder: nu is het Woord van God in vlees en bloed in het midden van Israël verschenen, als Immanuël. Zichtbaar, tastbaar, de volle rijkdom van Gods Woord is in Jezus zichtbaar geworden.

Johannes opent zijn eerste brief met de mededeling dat het Woord er altijd was en dat zij het ook altijd gehoord hadden, maar dat zij het nu met hun eigen ogen gezien hebben. En ook dat is nooit veranderd. De Zoon is in Jezus nog steeds Immanuël. En al is Hij verheerlijkt en opgenomen in de hemel, dat heeft de vleeswording van het Woord niet ongedaan gemaakt. Voor Israël en ons verborgen is Hij aan de rechterhand van God voorspraak van zijn broeders en zusters.

“God heeft de kudde van Israël in de handen van zijn Zoon gelegd en daar is zij nog.”

Als ik deze dingen zo schrijf moet ik denken aan wat ik de laatste tijd vaak over de opening van de Heidelberger Catechismus zeg, een van de zogenaamde belijdenisgeschriften van de protestantse kerken. Onze enige troost in leven en sterven is niet dat Christus mijn eigendom is, maar dat wij het eigendom van Hem zijn. In Jezus heeft God Israël voorgoed aan zichzelf verbonden, of om het anders te zeggen: God heeft de kudde van Israël in de handen van zijn Zoon gelegd en daar is zij nog.

Maar er is nog iets dat gezegd moet worden: het Woord was niet alleen betrokken bij de schepping, is niet alleen aanwezig in de Heilige Schrift, het spreken van God is ook niet alleen vlees geworden in Israël, het is ook in ons aanwezig. Dat is wat Jezus zijn leerlingen beloofde: De Vader en de Zoon zouden hen blijven liefhebben en woning bij hen maken. Paulus spreekt daar ook opgetogen over als hij zegt dat hij niet meer leeft, maar dat Christus in hem leeft. Het Woord van God heeft in ons hart en in ons denken zijn tent opgeslagen. En als we Jezus en de apostelen goed begrijpen wordt dat als eerste zichtbaar en tastbaar in onze liefde.

Ik denk dat ik me dat veel meer bewust zou moeten zijn, dat in de ontmoeting met Israël, de Zoon zelf op een nieuwe manier in het midden van zijn volk verschijnt. Dat is natuurlijk heel bijzonder. Maar het is ook een geweldige verantwoordelijkheid: het is als christen onmogelijk je van Israël af te wenden.

Over de auteur